Het beeld van een dode man op Twitter

Station Driehuis, bron: Wikipedia Commons

Dit artikel verscheen eerder op joop.nl, de opiniesite van de VARA, in een reactie op dit nieuwsbericht.

Als jongeren een foto van een zelfdoding twitteren, moeten wij hen niet als daders behandelen, maar als slachtoffers. Want ook gevestigde media tonen foto’s van slachtoffers, soms zonder meer. Zo leren we onze kinderen dat het delen van sensatie populariteit oplevert.

Tieners die foto’s van een ramp of ongeval delen op Twitter, doen niets anders dan in volle shock naar gedrag grijpen dat ze kennen. Ze delen hun verhaal als volleerde journalisten, die de impact ervan belangrijker achten dan de maatschappelijke waarde of negatieve gevolgen. Ze gebruiken de technologie die hun ouders niet hadden om hun rauwe gevoel te delen, op zoek naar succes of erkenning. Net als wij.

Als voorbeeld geven we onze kinderen kranten die de slachtoffers van een busramp herkenbaar op de voorpagina plaatsen. Koppen waarin we daders en slachtoffers aanduiden. Politici die met een slachtofferrol stemmen winnen. Nieuws dat de snelle primeur als criterium hanteert, en mediamerken die daar aandacht mee oogsten, wat snel verward wordt met populariteit. Als dan voor je ogen een man voor de trein springt, weet je als vijftienjarige niks beters te bedenken dan dat te delen met de wereld. Want dat is hoe wij volwassenen omgaan met ongevallen en rampspoed: het delen van sensatie garandeert ons lezers en volgers, geld en retweets, en het aantal likes en shares bepalen ons imago.

Intussen hebben we het allemaal gezien. Het verwrongen lichaam brandt op je netvlies. Dit leven is kapot. Even word je meegezogen door de foto die je niet hoort te zien, maar je eigen leven gaat door. Je denkt hiermee om te kunnen gaan. Nochtans is iets als dit nooit ‘normaal’. Zeker niet voor de zoon van deze man, die seconden later zijn vaders zelfmoord via Twitter verneemt. Niet voor zijn familie en vrienden, noch voor de agent die hen straks toch nog moet vertellen wat ze al weten. Niet voor de machinist die een man voor zijn trein ziet springen, of voor de zeventig tieners op het perron. Hier zijn alleen slachtoffers.

En hier is, onnodig, dubbel leed. Want de foto’s en filmpjes op Twitter vergroten het trauma voor de familie. En het pek-en-veren dat half Nederland vervolgens over de twitterende tieners kiepert, bezorgt ook hén een extra trauma en bemoeilijkt ook hún verwerking. Daar moeten hulpverleners mee leren omgaan, want sociale media gaan niet meer weg en zijn niet controleerbaar. Dit zal nog eens gebeuren, en daar moeten psychologen op voorbereid zijn. Terwijl de wereld toekijkt en snel oordeelt, wordt hun taak opeens dubbel zo moeilijk.

Hulpverleningsplannen moeten een sociale medialuik bevatten. Bij de storm op Pukkelpop, die vorig jaar aan vier mensen het leven kostte, kwam heel wat spontane hulpverlening op gang, van twitteraars die mensen wilden opvangen. Helaas kwam weinig van die hulp bij de juiste mensen terecht, omdat het noodplan van de organisatie geen rekening hield met de impact van sociale media. Dankzij Twitter is meer mogelijk, maar dan hebben we ook structuren nodig die ons in staat stellen die mogelijkheden te benutten.

Omgekeerd moeten ook hulpverleners de manier waarop ze slachtoffers, met name kinderen, beschermen tegen de invloed van de pers, uitbreiden met een sociale mediastrategie. Want Twitter maakt dat vragen en reacties twee, vijf, tien keer zo snel op hen afkomen. Wat er op Twitter zelf gebeurt kunnen we niet op een waterdichte manier controleren, en dat is ook niet wenselijk in een rechtsstaat. Maar hulpverleners en psychologen moeten wel in staat zijn alle betrokkenen snel te helpen omgaan met de stortvloed aan feedback vanuit de samenleving, en die een plaats te geven in hun verwerkingsproces.

Tegelijk moeten wij allemaal beter leren omgaan met de potentie van een tweet. Scholen, ouders en hulpverleners, maar ook de media, moeten kinderen leren welke impact sociale media kunnen hebben, op anderen en op zichzelf. Rechtstreeks, maar ook door het goede voorbeeld te stellen. Wat je op het internet zet, kan potentieel iedereen zien. Dat zal nooit meer veranderen. In 140 tekens kan je een wonder verrichten en iemand helpen die honderd kilometer van je vandaan is, maar ook een leven verwoesten. Inclusief dat van jezelf.

“Dit is echt”, hoor je een van de jongeren zeggen op het filmpje. Hun ogen zijn de camera. Het beeld van een dode man doet elk mens pijn. Maar daar moeten we onszelf en onze kinderen aan blijven herinneren. Tot nu toe sluiten we vooral de ogen voor wat we zelf doen.

Foto: Wikipedia Commons.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s